definitie van tijd

Wetenschappelijk gezien is er geen sluitende definitie van het idee van tijd. Alles wat er gebeurt, kan echter binnen een tijdsdimensie worden geplaatst. In alledaagse zin verwijst het idee van tijd naar de duur van iets (het leven van een persoon of de meting van een gebeurtenis met een begin en een einde).

De mens heeft de behoefte om de tijd op een of andere manier te meten, aangezien hij opmerkt dat alles om hem heen aan verandering onderhevig is. Het intuïtieve idee van tijd verwijst dus naar de opeenvolging van gebeurtenissen uit het verleden, het heden en de toekomst.

Tijd in het verleden meten

In oude beschavingen werden zand, water en vuur gebruikt als indicatoren voor het verstrijken van de tijd, maar deze elementen functioneerden als chronometers en niet als klokken. In die zin waren de zandlopers die door de oude Egyptenaren waren uitgevonden containers gevuld met water met verschillende tijdschalen erin gemarkeerd en toen het waterpeil daalde, was de exacte verstreken tijd bekend.

Het waren de oude Romeinen die zonnewijzers populair maakten

Duizend jaar voor Christus vonden de Chinezen de waterklok uit (een reuzenrad dat door water werd bewogen, gaf het verstrijken van de tijd elke 15 minuten aan).

De eerste mechanische klokken werden in de 13e eeuw in Engeland gebouwd en in de Renaissance ontdekte Galileo de isochronie van de slinger, een aspect dat een vooruitgang in het begrip van de tijd en in de vervaardiging van klokken mogelijk maakte.

Verschillende manieren om hetzelfde idee te begrijpen

Voor Newton is het idee van tijd homogeen, absoluut en eeuwig. Alles wat er gebeurt, gebeurt dus op een uniforme manier. Deze opvatting staat bekend als absolute tijd. Voor Newton zijn tijd en ruimte onafhankelijk, aangezien gebeurtenissen plaatsvinden en dingen bewegen zonder enige relatie.

Voor Einstein zijn de grootte van tijd en de grootte van ruimte nauw met elkaar verbonden. Volgens de relativiteitstheorie hangt de meting van tijd af van de omstandigheden die een waarnemer heeft. Deze opvatting wordt uitgelegd in de relativiteitstheorie.

De oude Griekse filosofen realiseerden zich de paradoxale dimensie ervan. In feite bevestigde Aristoteles dat tijd een tijdperk is dat er niet meer is. Aan de andere kant merkten ze op dat tijd niet iets van buitenaf is, maar intern wordt waargenomen, aangezien het onmiskenbaar is dat de herinnering aan wat er is gebeurd in onze geest blijft. In die zin maakten de Ouden onderscheid tussen kosmische tijd en geleefde tijd.

Voor Kant is het idee van tijd wat ons in staat stelt om waarnemingen en ervaringen te ordenen. Dankzij het idee van tijd zijn we in staat om alles om ons heen te structureren. Volgens Kantiaanse terminologie zijn ruimte en tijd a priori vormen van gevoeligheid.

Momenteel is bekend dat alle levende wezens biologische klokken hebben waarmee ze hun vitale functies kunnen regelen en deze discipline staat bekend als chronobiologie.

In de wereld van fictie en theoretische fysica is de mogelijkheid van tijdreizen overwogen, een omstandigheid die allerlei paradoxen met zich meebrengt (als een persoon bijvoorbeeld in het verleden zou kunnen gaan, zou er de mogelijkheid zijn om zijn eigen geboorte te vermijden. ).